fiscalistenonline.nl: Besluit DGA nader toegelicht
Lees voor het aanmelden de voorwaarden.

Besluit DGA nader toegelicht

Begin januari 2008 heeft de staatssecretaris van Financiën zijn besluit gepubliceerd over de gevolgen van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie dat de directeur-grootaandeelhouder (DGA) géén ondernemer is voor de BTW. Het ondernemerschap van de DGA is volgens de staatssecretaris geëindigd op 18 oktober 2007. Vanaf dat tijdstip is de DGA dus geen BTW meer verschuldigd over zijn arbeidsvergoeding, maar heeft hij ook geen recht op aftrek van voorbelasting meer.

Voor vele DGA’s heeft dit besluit grote gevolgen en veel DGA’s hebben na het publiceren van dit besluit acties ondernomen. Hieronder zal het besluit nader worden toegelicht.

 

Geschiedenis

Op 26 april 2002 oordeelde de Hoge Raad dat een DGA die meer dan 50% van de aandelen houdt in een vennootschap en met de betreffende vennootschap een arbeidsovereenkomst heeft een BTW-ondernemer is. Ná dit arrest van de Hoge Raad hebben veel DGA’s zich als BTW-ondernemer geregistreerd en/of in een fiscale eenheid laten opnemen. Het BTW-ondernemerschap bracht voor- én nadelen.

Op 18 oktober 2007 heeft het Hof van Justitie van de EG in het Van der Steen-arrest echter geoordeeld dat een natuurlijk persoon die in naam en voor rekening van een belastingplichtige vennootschap alle werkzaamheden van deze laatste verricht ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst die hem aan die vennootschap bindt en waarvan hij overigens enig aandeelhouder, bestuurder en personeelslid is, voor de BTW géén ondernemer is.


Voor de periode tussen 26 april 2002 en 18 oktober 2007 is de DGA BTW-ondernemer volgens de staatssecretaris. Dit volgt uit het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidbeginsel. Dit houdt in dat in deze periode de DGA over zijn betaalde werkzaamheden BTW verschuldigd was, tenzij sprake was van een fiscale eenheid, en dat hij recht op aftrek had.


Het ondernemerschap van de DGA is volgens de staatssecretaris geëindigd op 18 oktober 2007. Dit is ook het geval als sprake is van een managementovereenkomst, waarbij diensten worden verleend aan de vennootschap zonder dat sprake is van een arbeidsovereenkomst.


Het ondernemerschap blijft wel gecontinueerd indien en voor zover de DGA uit andere hoofde dan zijn arbeidsrelatie diensten verricht, bijvoorbeeld als er sprake is van verhuur van een pand aan de BV of het verrichten van diensten als privé-persoon. De staatssecretaris is echter van mening dat dit niet geldt voor de verhuur van de werkkamer in de woning in het kader van de onzelfstandige werkzaamheden voor de vennootschap. Op basis van het Heerma-arrest kan gesteld worden dat de staatssecretaris een onjuist standpunt inneemt. Of het standpunt van de staatssecretaris juist is, zal de rechter uiteindelijk moeten beslissen.

 


Wat zijn de gevolgen?

Het besluit brengt een aantal gevolgen met zich mee. Hieronder zullen we de volgende gevolgen toelichten:
  • afdracht & aftrek;
  • ontrekking/sfeerovergang;
  • doorleveringsfaciliteit;
  • privé-gebruik;
  • melding deregistratie en verbreking fiscale eenheid;
  • bestelauto’s op naam van DGA en BPM/MRB.
     

Afdracht en aftrek

De DGA is vanaf 18 oktober 2007 over de vergoeding die hij ontvangt voor de door hem aan zijn vennootschap verrichte arbeidswerkzaamheden géén BTW meer verschuldigd. Ook kan de DGA vanaf die datum de BTW die aan hem in het kader van die werkzaamheden voor geleverde goederen of verrichte diensten in rekening is gebracht, niet meer verrekenen. In zijn besluit gaat de staatssecretaris niet in op gevallen waarin goederen reeds vóór 18 oktober 2007 zijn aangeschaft, maar nog niet in gebruik zijn genomen.

Ook gaat de staatssecretaris niet in op de vraag of de BTW die vanaf 18 oktober 2007 in rekening is gebracht, moet of mag worden gecorrigeerd. Als de vennootschap de BTW niet kan verrekenen, is het aan te bevelen correctiefacturen op te maken.

 

Onttrekking / sfeerovergang

De staatssecretaris heeft aangegeven dat het einde van het ondernemerschap tot gevolg heeft dat voor de aanwezige goederen waarvan de BTW volledig of gedeeltelijk in aftrek is gebracht, een sfeerovergang plaatsvindt. Met andere woorden geacht wordt dat de goederen op 18 oktober 2007 vanuit het bedrijfsvermogen zijn geleverd aan de DGA in privé. Er is in principe BTW verschuldigd over de aankoopprijs of kostprijs van de goederen op het moment van deze levering.

Vanwege de bijzondere omstandigheid van het geval, keurt de staatssecretaris goed dat het verschuldigde BTW-bedrag mag worden berekend door toepassing van de herziening van de BTW van het desbetreffende goed, waarbij die herziening een aanvang mag nemen per 1 januari 2008. Voor goederen die zijn aangeschaft in 2007 mag de verschuldigde BTW op overeenkomstige wijze worden bepaald.

 


Voorbeeld: woning aangeschaft op 1 juli 2006 voor € 500.000 (plus 95.000 btw). Onttrekking 18 oktober 2007 is belast met BTW. Verschuldigde BTW is dan 8 jaar/ 10 jaar van € 95.000 btw = € 76.000.

 


Let op
De afdracht dient ineens te geschieden ondanks dat de BTW wordt berekend op basis van de herzieningsregeling. Het komt er dus in feite op neer dat vanwege deze goedkeuring niet over de periode 18 oktober 2007 en 31 december afgerekend hoeft te worden.


De onttrekking kan onder omstandigheden vrijgesteld zijn. In dat geval krijgt de DGA te maken met herziening van de BTW volgens de normale regels. De herziening moet dus in één keer plaatsvinden. Ook hier mag er van worden uitgegaan dat het goed vanaf 1 januari 2008 wordt gebruikt voor de vrijgestelde levering.


De BTW die ter zake van de levering, dan wel die ter zake van de herziening, verschuldigd is, moet op aangifte worden voldaan over het aangiftetijdvak waarin 18 oktober 2007 valt. De staatssecretaris heeft echter ook goedgekeurd dat deze belasting wordt voldaan over het laatste belastingtijdvak van 2007. Met andere woorden uiterlijk 31 januari 2008 had de aldus verschuldigde BTW moeten worden voldaan op de aangifte.


Ook hier kunnen vraagtekens worden gezet of het standpunt van de staatssecretaris dat er een onttrekking plaatsvindt, juist is. Ook kan het standpunt worden ingenomen dat er geen onttrekking kan plaatsvinden omdat de DGA géén ondernemer is (geweest). Mocht dit standpunt worden ingenomen dan de rechter uiteindelijk uitkomst moet geven.

 

 

Doorleveringsfaciliteit

De staatssecretaris geeft een mogelijkheid om de oude situatie min of meer voort te zetten ten aanzien van de goederen die thans privé-vermogen zijn en bedrijfsmatig worden gebruikt. Deze goederen kunnen worden geleverd aan de vennootschap, waarbij de staatssecretaris goedkeurt dat als deze levering plaatsvindt vóór 1 april 2008, heffing van BTW achterwege blijft. De vennootschap treedt ter zake van dat goed in de plaats van de DGA. Dit houdt in dat de vennootschap in de toekomst BTW moet voldoen over het privé-gebruik van die goederen over 2008 en volgende jaren, en bij doorverkoop BTW in rekening moet brengen, tenzij een vrijstelling van toepassing is. Ook als de vennootschap van de DGA deel uitmaakt van een personenvennootschap geldt de doorschuiffaciliteit. Alsdan zullen de gevolgen door deze vennootschap moeten worden uitgeoefend.

Ingeval de DGA onderdeel is van een fiscale eenheid die uit een aantal vennootschappen bestaat, geldt de doorschuiffaciliteit niet.

 


Let op
Vergeet bij de uitwerking van de doorleveringsfaciliteit niet dat ook rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor andere belastingen. Met name bij woningen kan de levering aan de vennootschap grote gevolgen hebben voor de inkomstenbelasting. Ook zal bij levering van onroerende zaken overdrachtsbelasting verschuldigd zijn. Voor woningen zal deze faciliteit dus hoogstwaarschijnlijk niet aan te bevelen zijn.


Dit geldt ook voor de auto’s indien de auto vervolgens aan de DGA ter beschikking wordt gesteld. Men wordt dan immers in principe geconfronteerd met de bijtelling privé-gebruik. De faciliteit zal dus naar verwachting alleen voordelig uitpakken voor roerende zaken, andere dan auto’s.

 

Privé-gebruik

Zoals aangegeven is over het privé-gebruik van een goed in 2007 tot 18 oktober BTW verschuldigd. Deze BTW had mogen/moeten worden afgedragen op de laatste aangifte over 2007. Dit zal met name gelden voor het privé-gebruik van de zakelijk geëtiketteerde woningen.


Voor wat betreft de auto van de DGA die mede voor privé-doeleinden is gebruikt, geldt dat het privé-gebruik nog maar tot 18 oktober 2007 gecorrigeerd hoeft te worden. Omdat de correctie een deel van het jaar beslaat kan gebruik worden gemaakt van de verhouding 290 dagen/365dagen (= 79% procent). De forfaitaire correctie wordt dus 79% van 12% van 22% van de cataloguswaarde. Ook deze correctie had moeten worden afgedragen op de laatste aangifte over 2007.


Hetzelfde geldt voor de auto van de DGA die deel uitmaakte van een fiscale eenheid.


Melding deregistratie en verbreking fiscale eenheid De verbreking van /ontvoeging uit de fiscale eenheid waarvoor een beschikking is afgegeven hoeft niet schriftelijk aan de Belastingdienst gemeld te worden.


De Belastingdienst zal zelf de nodige aanpassingen in haar administratie doorvoeren nadat betrokken belastingplichtigen om nadere informatie is gevraagd over hun situatie. Eind maart hebben bijna alle betrokken belastingplichtigen een vragenlijst ontvangen van de Belastingdienst die voor 1 mei had moeten worden ingeleverd. In gevallen waarin DGA’s in het eerste kwartaal van 2008 onverhoopt geen vragenbrief ontvangen, moet de betreffende DGA de Belastingdienst zelf op de hoogte stellen van de gewijzigde situatie als hij niet langer aangemerkt kan worden als BTW-ondernemer. Deze DGA’s hadden dat dus in april 2008 moeten doen.

 


In de vragenbrief staan 3 hoofdvragen:
1. Bent u DGA?
2. Verricht u ook nog andere prestaties?
3.Is er BTW aangegeven terzake van het einde van het BTW-ondernemerschap?

 


Vraag 1 spreekt voor zich en is meer een vorm van inventarisering van de Belastingdienst.

 


Met vraag 2 bedoelt de Belastingdienst bijvoorbeeld de verhuur van een zelfstandige onroerende zaak aan derde of activiteiten in de vorm van een eenmanszaak. Indien dit het geval is dan moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Indien de DGA bijvoorbeeld de werkkamer wil gaan verhuren aan de BV dan moet de vraag ontkennend worden beantwoord. Het is verstandig om het antwoord te beperken tot een kort maar volledig antwoord. Bijvoorbeeld in verband met verhuur werkkamer.

 


Vraag 3 wordt bevestigend beantwoord als in de aangifte gehandeld is overeenkomstig het besluit van 21 december 2007. Deze vraag wordt eveneens ontkennend beantwoord indien u het besluit hebt gevolgd en vervolgens bezwaar hebt gemaakt tegen de betaling op aangifte, omdat u het niet eens was met de standpunten die de staatssecretaris heeft ingenomen.

 


Deze vraag wordt ontkennend beantwoord als in de aangifte niet is gehandeld overeenkomst het besluit van 21 december 2007, u dient dan het bedrag te vermelden dat u volgens het besluit verschuldigd zou zijn wanneer het besluit van de staatssecretaris wordt gevolgd. U kunt er overigens ook voor kiezen om nihil in te vullen (u vindt namelijk nog steeds dat het besluit niet van toepassing is), maar dan loopt u het risico dat straks een boete wordt opgelegd.
De Belastingdienst streeft er naar de wijzigingen zo spoedig mogelijk te verwerken. Met die verwerking zal, gelet op de omvang van de te verwerken mutaties, echter nog geruime tijd zijn gemoeid. Zolang de Belastingdienst de wijzigingen nog niet heeft verwerkt mag door de BV(‘s) gebruik worden gemaakt van de oude registratie.

 


Bestelauto’s op naam van DGA en BPM/MRB

De staatssecretaris heeft goedgekeurd voor bestelauto’s die op naam zijn gesteld van de DGA en waarbij gebruik is gemaakt van de ondernemingsregeling ten aanzien van de BPM/MRB dat het kenteken van deze bestelauto nu op naam mag worden gesteld van de vennootschap waarvan de DGA meer dan de helft van de aandelen bezit (mits deze vennootschap een BTW-ondernemer is) of op naam van een andere BTW-ondernemer. De DGA hoeft in die situatie geen rest-BPM te betalen. Ook is goedgekeurd dat voor de motorrijtuigenbelasting het bestelautotarief van toepassing blijft tot het moment van overschrijving.

 

In verband met de verwerkingstijd van de aanpassingen in de administratie van de Belastingdienst van DGA’s die geen BTW-ondernemer meer zijn, wordt voorts goedgekeurd dat de wijziging van de tenaamstelling moet plaatsvinden binnen twee maanden nadat de Belastingdienst hem schriftelijk heeft laten weten dat hij geen BTW-ondernemer meer is, en in andere gevallen uiterlijk vóór 1 juli 2009.

 

 

Conclusie

In het besluit geeft de staatssecretaris zijn mening over de gevolgen van het einde van het ondernemerschap van de DGA. Echter, niet op alle punten is hiermee duidelijk verschaft. Er zijn nog vele vragen onbeantwoord en ook kunnen bepaalde standpunten ter discussie worden gesteld. Dit zal leiden tot een groot aantal rechtzaken. Het belangrijkste is dat de DGA de voor hem juiste standpunten inneemt en zo handelt. Laat u eventueel bijstaan door een adviseur.

Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven door mevrouw mr. C.W. (Carola) van Vilsteren. Meer informatie vindt u elders op deze site

Eerder geplaatste artikelen

Geen btw-aftrek bij verkoop minderheidsbelang
Als een vennootschap een minderheidsbelang overdracht aan een derde, is er geen sprake van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen. De btw die drukt op de kosten die ...
Lees meer...
BTW oninbare vorderingen apart terugvragen
Afgedragen BTW op facturen die oninbaar blijken te zijn, kunt u niet terugvragen bij de Belastingdienst door middel van de reguliere BTW-aangifte. U moet daarvoor een apart verzoek indienen bij uw lok...
Lees meer...
Geen btw-vrijstelling voor claims management
De toepassing van de vrijstelling voor (her)verzekeringsdiensten heeft grenzen. Volgens het hof valt het behandelen en afwikkelen van schadeclaims als tussenpersoon hier niet onder.Assurantiemakelaars...
Lees meer...
Hier klikken